Worstel jij met je gevoelens? Twijfel je over je geaardheid? Wil je eens babbelen? Contacteer onthaal@hijzijzo.be of bel op +32(0)0494 85 04 77.

Startpagina

Ria Van Even
Ria
 

Ria is op 9 juni 2013 zachtjes thuis overleden.
We wisten allemaal dat het eraan ging komen maar toch blijft het schrikken .

Ze was, voor wie dit niet wist, jaren verantwoordelijk voor onze ouderwerking. Ze heeft heel wat ouders ontvangen en gesteund toen ze beseften dat één van hun kinderen holebi was en ze dikwijls aan hun eigen moeilijk proces begonnen.

Ze was mee actief in de scholenwerking van KWH (kempische werkgroep homofilie).
Ze kwam mee uit KWH naar HijZijZo en bleef ondanks haar ziekte altijd bezorgd hoe het met ons allen ging.

Ria, rust in vrede.

Onder de foto kan je het interview met Ria lezen, dat Bart Hellinck vorig jaar (2012) had in de lente.
Dit werd gepubliceerd in het tijdschrift “Het ondraaglijk besef” van het fonds Suzan Daniel
.

 
Hieronder kan je het interview met Ria lezen, dat Bart Hellinck vorig jaar (2012) had in de lente.
Dit werd gepubliceerd in het tijdschrift “Het ondraaglijk besef” van het fonds Suzan Daniel
.
 

In 2008 werd Ria Van Even door de Kempische holebibeweging gehuldigd omwille van haar jarenlange, niet aflatende strijd tegen discriminatie.  Intussen levert deze 79-jarige “moeder van de Turnhoutse holebi’s” ook nog een andere zware strijd, op medisch vlak.  “Maar daar gaan we het vandaag eens niet over hebben”, zegt ze resoluut.  Twee slechte dagen heeft ze achter de rug, en even vreesde ze zelfs dat ze het interview zou moeten afbellen.  “Maar ik heb een vrouw waar ik af en toe een kaarsje bij zet, en Zij heeft dat weer goed gedaan: vanmorgen ging het.”

 
Toeval

“Mijn engagement is eigenlijk een gevolg van het lezen van een tijdschrift.  Wij zijn streng opgevoed, maar met een heel groot rechtvaardigheidsgevoel.  Bij mij is dat vooral tot uiting gekomen tijdens de oorlog, omdat ik dingen zag gebeuren die ik niet kon plaatsen.  Als kind stel je je niet zoveel vragen, en woorden als ‘racisme’ en ‘discriminatie’ kende ik nog niet, maar ik snapte toch wel dat er iets niet in orde was.  Pas achteraf ondervond, las en hoorde ik wat er allemaal was gebeurd.  Mensen die werden weggevoerd, en die niet meer terugkwamen.  Natuurlijk ook de verhalen over de kampen.  Dat werd bij ons dus wel besproken, en ik heb daar veel over gelezen.  En zo is dat beginnen groeien: een gevoel voor rechtvaardigheid.
Midden jaren ’60 ging ik regelmatig naar een nichtje dat een café openhield op de Grote Markt van Turnhout.  Haar man was geabonneerd op een Duits tijdschrift, en bij het doorbladeren ervan stootte ik op zeker ogenblik op een artikel over die fameuze paragraaf 175 uit het Duitse strafrecht, waardoor mannelijke homoseksualiteit strafbaar was.  Ik las dat heel toevallig…  Alhoewel ik denk dat er geen toeval is.  ‘La forza del destino’, zou ik zeggen.  In elk geval dacht ik meteen: ‘Dat kan toch niet zijn?!  Dat mensen omwille van een bepaalde geaardheid of omwille van ik-weet-niet-wat worden gediscrimineerd.’  En sindsdien is die woede om onrechtvaardigheid, om discriminatie, om racisme, om mensen die in hokjes worden geplaatst en uit de maatschappij gerangeerd… enkel maar toegenomen.

Op dat moment kende ik nog geen homomannen of lesbische vrouwen.  Ik wist wel dat ze bestonden, want af en toe hoorde je wel eens een al dan niet schampere opmerking, maar ik had me daar nooit in verdiept omdat ik daar in mijn nabije omgeving nog nooit mee in aanraking was gekomen.  Maar van dan af ben ik me daar wel meer voor beginnen interesseren.  Zo heb ik ooit een in Nederland uitgegeven boekje uit 1967 gevonden.  Vervolgens waren er ook de eerste TV-uitzendingen over het thema.  ‘Wat is dat toch?  Waarom doen de mensen daar zo tegenover?’  Later, wanneer de kinderen al wat groter werden, ben ik catechese beginnen geven.  Zo heb ik een vriendin gevonden die even nieuwsgierig was als ik.  En samen zijn we er toch een paar keer in geslaagd om te weten te komen dat er ergens een voorlichtingsvergadering of gespreksavond werd georganiseerd, waar we dan samen naartoe trokken.”

 
Ria
Een blauwe koekjesdoos

“Elke keer als ik moest gaan spreken of getuigen, vertelde ik dat verhaal.  Van die blauwe koekjesdoos die op de keukentafel stond.  En van mijn jongste zoon Marco, die altijd supporterde als ik me kwaad maakte en mijn verontwaardiging liet blijken, en plots op een van de momenten aan de tafel totaal onverwacht zei: ‘Moeke, ik ben ook zo.’  Dan verandert er toch van alles.  Ik werd overspoeld door emoties, ook een beetje door verdriet omdat hij dat helemaal alleen heeft moeten verwerken en zoeken.  En ook wel deels iets dat kapot ging.  Niet omdat hij homo is, hoor!  Maar het besef dat ik van hem geen kleinkinderen moest verwachten.  En evenmin een schoondochter.  Maar eigenlijk vind ik dat niet erg: ik heb twee dochters en twee zonen, en enkel maar schoonzonen. (lacht)

Dat verhaal zit in mijn geheugen gebeiteld, en komt nog heel dikwijls naar boven.  En die blauwe koekjesdoos heb ik nog altijd. Uiteindelijk heeft Marco me erop attent gemaakt dat de Turnhoutse dekanale werkgroep vorming drie studiedagen over homoseksualiteit organiseerde.  ‘Ik denk dat dat iets voor jou is’, zei hij.  Enkele priesters, een dokter, een psychologe, een koppel lesbiennes en de ouders van één van hen hebben er uiteenzettingen gehouden.  Dat is heel positief geweest, en ook heel goed bijgewoond.  Daar heb ik heel veel uit kunnen leren.  En na dat initiatief hebben we met een aantal mensen de koppen bij mekaar gestoken, waarna in 1988 de Werkgroep Ouders van een Homofiel Kind is ontstaan.

Op de bijeenkomsten van de groep – niet altijd maandelijks, maar toch regelmatig – nodigden we bijvoorbeeld sprekers uit om een bepaald thema te behandelen.  Of we vertoonden eens een film.  We hadden daarbij geen vaste stek: we kwamen samen in de lokalen van de Kempische Werkgroep Homofilie (KWH) in de Driezenstraat, of in de toenmalige Emmaüsparochie in de Stationsstraat, of nog ergens anders.  Altijd vonden we wel een plek.  De opkomst wisselde, maar in die periode mochten we toch wel dikwijls een 12- à 16-tal ouders verwelkomen.  Sommigen hadden nog niet zolang daarvoor vernomen hadden dat een van hun kinderen holebi was.  Die hadden dat dan wel moeilijk, maar daar kon over gepraat worden.  Er werd geweend, en er werd mee geweend.  Er werd getroost, en ook gelachen.  En ervaringen werden uitgewisseld.  Ik heb daar eigenlijk alleen maar positieve herinneringen aan.

Daarnaast waren er heel wat ouders – af en toe nog, trouwens – die me telefonisch contacteerden.  Dat waren doorgaans problematischer gesprekken.  Zij wilden hun verhaal doen, dus dan moest ik eigenlijk gewoon luisteren.  En als ze iets vroegen, kon ik vanuit mijn ervaring antwoorden.  Elke keer vraag ik wel om me achteraf nog eens terug te bellen om mee te delen hoe een en ander was afgelopen.  Vooral de moeders doen dat dan.  Vaders niet: als zij hun verhaal kwijt zijn, is het afgelopen… (lachje)

In elk geval heb ik die gesprekken nooit als een last ervaren.  Ik kan daar echt heel veel begrip voor opbrengen omdat ik wist in welke situatie die ouders zaten en hoe moeilijk sommigen het daarmee hebben.  Al kreeg ik het af en toe wel eens aan de stok met iemand.  Ik herinner me een nogal ouderwets ingestelde vader, die de feiten niet benoemde en maar rond de pot bleef draaien.  Hij vond dat op ieder potje een dekseltje past; een potje bij een potje of een dekseltje bij een dekseltje ging volgens hem niet.  De volgende bijeenkomst had hij het weer over dat potje en dat dekseltje.  Ik begon te vermoeden waar hij naartoe wou, en de derde keer schoot ik dan ook uit mijn sloffen.  ‘Mijnheer, u bedoelt seks?  Dan moet u dat zeggen.  Seks is iets tussen twee mensen die mekaar graag zien, die niet gedwongen zijn om iets te doen.  En als ik seks wil hebben terwijl ik op mijn hoofd sta, heeft niemand zich daarmee te moeien.’  Hij is niet meer teruggekeerd…  Daar draaide het dus om.  Voor veel ouders is dat trouwens het punt waar ze heel wat moeite mee hebben.”

Ria
 
Bij de bisschop

“Doorgaans hebben vaders het er inderdaad moeilijker mee als ze te weten komen dat ze een homozoon hebben.  Ooit kreeg ik ’s zondags eens een telefoontje, als reactie op een artikel over de werkgroep, dat de dag voordien in een krant was verschenen.  Die mijnheer was zelf ook homo, maar had dat nog nooit aan iemand verteld.  Ik was dus de eerste aan wie hij dat zei, omdat ik hem toch niet kende.  Hij was getrouwd geweest, en had kinderen waaronder een homozoon.  En hij beweerde dat zijn vrouw gestorven was als straf omdat hij een homokind op de wereld had gezet.  Hij vond dat zo erg…  Ik vond dat verschrikkelijk.  Hoe is dat toch mogelijk, een heel leven lang een leugen leven?  En dan de dood van zijn vrouw beschouwen als een straf omwille van zijn homozoon.  Maar zo’n God bestaat toch niet?  Dat kan toch niet!  Ik heb vroeger geleerd dat God oneindig goed is, oneindig barmhartig, oneindig vergevingsgezind.  Zo is Hij.  Daar geloof ik in.
Maar het instituut Kerk, met Ratzinger en aartsbisschop Léonard, wordt er niet beter op.  Het is soms vechten tegen de bierkaai.  De activiteiten van onze oudergroep werden bijvoorbeeld in het ACW-blad ‘Visie’ en het lokale advertentieblaadje aangekondigd, en in heel wat parochiebladen hier in de buurt.  Maar ik merkte dat zij niet werden opgenomen in de editie van ‘Kerk & Leven’ van de parochie van het Heilig Hart.  Ik heb daarvoor naar het bisdom gebeld, waar ik te horen kreeg dat de pastoors zelf beslissen wat er al dan niet gedrukt wordt.  Vervolgens ben ik zelf naar die pastoor getrokken om hem uitleg te vragen.  ‘Is het nog niet erg genoeg, dat je er reclame voor moet maken?’, antwoordde hij.  Eigenlijk ben ik een heel rustig iemand, maar toen heb ik dingen gezegd die ik eigenlijk niet had mogen zeggen.  Ik heb ook verwezen naar de parabel van de Farizeeër en de tollenaar, zeggende dat de pastoor de Farizeeër was.  En nog van alles.

Ik had dat allemaal niet mogen zeggen, al ben ik blij dat ik het heb gezegd.  Toen ik wegging, vroeg hij of ik nu echt dacht dat hij in het vervolg de berichtjes wel zou laten verschijnen.  Natuurlijk niet.  Maar hij is nog altijd niet enthousiast als hij me ziet komen.  Want ik ben lid van het kerkkoor dat maandelijks in zijn kerk zingt.  En elke keer dat hij me opmerkt, moet hij ineens in een andere beuk zijn…
Ik weet trouwens van een moeder die nota bene naar die pastoor is gegaan om te vragen wat ze met haar homozoon moest doen.  ‘Sluit hem een paar weken op, en dan zal het wel gedaan zijn’, was zijn advies.  Dat snap ik dus niet.  Of die dokter die recent beweerde dat hij homo’s kon genezen.

Daarnaast zijn we ooit naar de vroegere Antwerpse bisschop Van den Berghe getrokken.  In die periode waren we met een zestal moeders, denk ik.  De dochter van een van hen was een plaats op een katholieke school toegezegd, maar uiteindelijk had ze die niet gekregen omdat ze lesbisch was.  Wij dus op hoge poten naar de bisschop.  Er was gevraagd of hij een aantal moeders die problemen hadden met hun kinderen, kon ontvangen, zonder te specifiëren over welke problemen het ging.  We zijn toen heel vriendelijk ontvangen, maar door onze verhalen werd hij almaar meer in het nauw gedreven, wist hij op den duur niet meer waar hij het moest zoeken.  Hij heeft het geweten: we hebben allemaal duidelijk laten voelen hoe teleurgesteld we waren in de Kerk omwille van haar behandeling van holebi’s.  Daar hebben we eigenlijk wel van genoten, dat we dat hebben kunnen zeggen.”

Strijdbaar

“Met de werkgroep bereikten we vooral ouders van homozonen en veel minder van lesbische dochters, al weet ik niet precies waarom.  Misschien omdat lesbiennes ogenschijnlijk veel makkelijker worden aanvaard?  Zij kunnen samenwonen of gearmd over straat lopen, zonder dat iemand daar iets van zegt.  Maar twee mannen die arm in arm lopen?  Hier in Turnhout heb ik dat eigenlijk nog nooit meegemaakt.  Ik zie het bijvoorbeeld ook mijn zonen niet doen, en ik weet niet waarom.  Onlangs las ik een interview met een jonge zanger die nog niet zo lang zijn coming out had gedaan, en die stelde dat hij het niet zou kunnen zien als twee mannen hand in hand over straat lopen.  Dat snap ik niet: jezelf outen maar dat niet kunnen verdragen.  Dat klikt toch niet?
Meisjes zie ik dat vlugger doen, en dat is altijd zo geweest.  In mijn jeugd mochten onderwijzeressen bijvoorbeeld niet getrouwd zijn.  Sommigen woonden samen, zogezegd om de huur te delen.  Ik heb een slecht karakter, en achteraf bekeken denk ik: ‘Dat zal wel…’
Steeds heb ik heel enthousiast met andere ouders deelgenomen aan de Pride, waar ik trouwens ook mijn medewerking verleende aan de oecumenische kerkdienst.  Maar mijn beide zonen stapten dus niet mee op, hé.  Zij zaten ergens langs de kant, op een trap of op een vensterbank.  Dan riepen ze wel als ze me zagen, maar mee opstappen deden ze niet.  Ik durf inderdaad met de hand op mijn hart zeggen dat ik strijdbaarder ben dan zij.

In het meervoud, want ook Bart, mijn andere zoon, is homo.  Hij heeft niks gezegd.  Uiteindelijk merkte ik toch dat hij meer naar jongens ging, en dan heb ik dat eens op tafel gegooid.  Hij vond echter dat zijn zussen toch ook niet kwamen zeggen dat ze hetero zijn, dus waarom moest hij dan zeggen dat hij homo was.  Eigenlijk vond ik dat wel logisch klinken. (lacht)

Ik wilde dat de Turnhoutse holebibeweging meer zichtbaar werd, dat ze in de media kwam en dat er een beleid kwam.  Dat is intussen ook het geval, en ik vind dat geweldig.  Maar het ging een hele tijd niet rap genoeg voor mij.  Voor een studiedag heb ik ooit schepen van gelijke kansen Francis Stijnen – de huidige CD&V-burgemeester – gevraagd om het openingswoord te doen.  Hij was een beetje ongemakkelijk, maar hij heeft dat toch gedaan.  En zo is hij mee betrokken geraakt bij dat holebibeleid.  Nu mag bijvoorbeeld de regenboogvlag hangen aan het stadhuis, en het rode lint op Wereld Aids Dag.

Mijn stokpaardje was echter het geven van degelijke informatie.  Heel veel keren ben ik dan ook gaan spreken op studiedagen, bij verenigingen (KAV, Tele-Onthaal, KWB…) en in scholen van alle netten in de hele regio (Turnhout, Mol, Arendonk…).  Met de scholenwerking van KWH/HijZijZo! hebben we zo onder meer het Klein Seminarie van Hoogstraten, een echt bastion, veroverd.  Dat is begonnen met een uurtje, dan het dubbele, een voormiddag en uiteindelijk nog meer tijdens hun projectweek.  Want de leerlingen konden eigenlijk ook iets anders kiezen, maar altijd waren er velen die op ons aanbod ingingen, die wilden horen over homoseksualiteit.  Dat was steeds een heel plezante ervaring.

Eigenlijk mag ik niet zeggen dat ik bij al die voordrachten en lezingen ooit iets negatief heb ondervonden.  Echt niet.  Misschien dat sommigen wel achter mijn rug hebben gepraat, maar dat is mij alleszins niet ter ore gekomen.  Sowieso ben ik iemand die liever de goede dingen onthoudt, en zo zijn er heel wat geweest.  Nee, ik heb eigenlijk alleen maar steun gekregen.  Overal ben ik goed ontvangen en heb ik positieve reacties mogen aanhoren.  Dat was heel tof.  Ook de hulp die ik van de KWH – intussen HijZijZo! – heb gekregen, heeft veel voor mij betekend.”

 
Minderheidsgroep

“De oudergroep heeft een hele tijd goed gedraaid.  Met de opkomst van het internet is de belangstelling echter geleidelijk aan beginnen minderen.  Dan moet je dat opdoeken, want dan heeft het geen zin meer.  Al vond ik dat wel spijtig, maar het was in elk geval mooi geweest: heel schone momenten en heel schone bijeenkomsten.  Ook voor mezelf een uiterst verrijkende ervaring.

Er is op relatief korte tijd veel veranderd.  Bijvoorbeeld de openstelling van het huwelijk.  Ik had nooit verwacht dat dit zo vlotjes zou gaan.  Maar anderzijds hoor ik dat er nog steeds heel wat mensen bij het onthaal van HijZijZo! aankloppen.  Mensen die het zelf moeilijk hebben met hun holebi-zijn én schrik hebben voor een maatschappelijke afwijzing.  En dat de problematieken bij het onthaal almaar zwaarder en complexer worden.  Of ik hoor dat scholen die ons uitnodigden om te komen spreken niet steeds eenzelfde openheid tonen inzake het homo/lesbisch zijn van leerkrachten.  Holebi’s zullen altijd een minderheidsgroep blijven, en dus ook altijd worden behandeld als de andere minderheidsgroepen.  Je hoort niet bij de hoop en dus word je in een vakje geplaatst.

Het is misschien niet juist, maar toch heb ik de indruk dat de homofobie groter wordt.  Of komt het nu gewoon meer in het nieuws?  Schat ik daardoor de toekomst pessimistisch in?  Dat mag niet, hé.  Maar soms toch wel.  En ik word daar razend kwaad om.

Mijn huldiging door de Turnhoutse holebiverenigingen in 2008 was dan weer een heuglijke gebeurtenis.  Ze noemden het ‘een speciale blijk van waardering en erkenning’ voor de ‘warme belangstelling, inzet en betrokkenheid’ waarmee ze op mij konden rekenen.  Zelf vind ik het een bekroning van mijn carrière als kwade madam.  Want zo is het inderdaad allemaal begonnen.  Uit colère voor al die toestanden. 

En als mijn dokter goed nieuws heeft, vlieg ik er onmiddellijk weer in. 
Zoals steeds met de steun van mijn echtgenoot, want anders gaat dat niet.”

Ria bij inhuldiging
Ria en Antonio bij de huldiging.
(mei 2008)
Ria